Catalogus

De zeven vette jaren van B32

Inleiding
Ik weet het nog precies: een jaar of acht geleden, toen wij het pand aan de Boschstraat hebben gekraakt. ’s Ochtends vroeg, op een zondag, net voor de mis van zes uur, toen de laatste stappers in een van de alom bekende kroegen waren verdwenen en de politie op de markt van ploeg wisselde. Ik had een kamerplant meegenomen om aan te tonen dat ik in het pand woonde. Tafel, stoel, bed en een kamerplant. Leek mij destijds geloofwaardiger. Opeens stond ik in het prachtige, maar een heel klein beetje vervallen huis. In de grote, lege ruimte die erom vroeg te worden geclaimd; om actie schreeuwde. Mijn tijdelijk thuis.

Lege ruimtes werken op mij als een vacuüm. Zij trekken mij met ongeëvenaarde kracht aan. Op de lege muren, de onbeklede vloer ontstaan spontaan gedachtespinsels. In het stucwerk worden opeens ideeën zichtbaar, in de hoeken en gaten houden ze zich op als schimmen. Een lege ruimte vraagt erom haar verleden te ontdekken en haar toekomst te verbeelden. In een lege ruimte zetten de gedachten het op een lopen. Een lege ruimte inspireert.
Een poosje later werd B92 geopend, een non-budget initiatief voor het tonen van kunst én geluid, gelegen aan de Boschstraat 86, zoals later zou blijken. Een caleidoscoop, een kijkdoos, dat was B92 in het begin. Vanuit de straat kon je de lange ruimte binnenkijken die naar het einde toe steeds wijder werd. Midden in hartje Maastricht kon men met één oog gluren naar een zichzelf waarmakende utopie.

Iedere tentoonstelling begint immers met een lege ruimte. Het is niet alleen feitelijk het startpunt, maar vormt ook op theoretisch niveau een even grote aantrekkingskracht als het vacuüm. Niet alleen omdat een gebouw telkens opnieuw in zijn proporties, zijn locatie of geschiedenis ontdekt kan worden, maar ook omdat de lege ruimte de verbeelding direct aanspreekt. Hier is ruimte om ideeën kwijt te kunnen, projecten door te voeren, iets te bouwen en op te zetten. Lege, vrije en open ruimtes trekken fysiek mensen aan, die zij ook op een intellectueel level vullen. Er zijn altijd kunstenaars en creatievelingen die er gebruik van willen maken. Die er willen verblijven en er in een dynamische interactie met de omgeving treden. Er ontstaat een tijdelijk thuis waar de scheppende energie van de kunstenaar zich kan ontwikkelen of, zeg maar, een intellectuele hangplek. Om zo’n intellectuele hangplek c.q. tentoonstellingsruimte te creëren, deze toegankelijk te maken voor kunstenaars en openbaarheid, om de dialoog tussen beide te bewerkstellingen op basis van in situ producties en tentoonstellingen alsook uit te nodigen om te verwijlen, daar ging het bij B32 al die jaren om. En nog steeds. Oh ja, en ook om het hebben van heel veel pret en plezier.

Tussen initiatief en instituut: inmiddels zijn we jaren verder en kan ik mij met gepaste trots een krakende ambtenaar noemen. Het kunstinitiatief is verhuisd en getransformeerd tot B32, voor vier jaar voorzien van structurele financiële ondersteuning van de gemeente en tevens van een nieuw team. Formeel draagt de nomadische stichting Puntianak – geen onbekende in het actie- en illegale feestcircuit van Maastricht en grotere omgeving – het initiatief, de huisvesting is nog steeds krakenderwijs geregeld in een gemeentelijk pand hetgeen toevallig maar wel heel handig is. Naast mij, inmiddels sinds 4 jaar werkzaam als conservator hedendaagse kunst c.q. krakende ambtenaar, hebben zich diverse mensen enorm ingezet en uitgeleefd in B92/32. Actueel runnen Job Pereboom (graficus, webdesign, genie & deadline basher), Luuk Nouwen (kunsthistoricus) en de kunstenaars Keetje Mans en Nina Grunenberg de expositieruimte en die telkens weer op de uitdaging van de lege ruimte ingaan. De op deze wijze zelf gecreëerde mogelijkheid om hedendaagse kunst aan een publiek te tonen blijkt langdurig een buitengewoon boeiende ervaring. In de afgelopen 9 jaar viel er zonder de beperking van financiële middelen, tijd of kennis in de expositieruimte van het kraakpand het maken van tentoonstellingen te ontdekken.

Kunst begint overal waar mensen hun leven en hun werk inrichten op grond van eigen verlangens en inzichten. Alle levensgebieden komen daarvoor in aanmerking en alle manieren om dit collectief uit te dragen vallen onder het containerbegrip van het kunstenaarsinitiatief.
Aan het kunstenaarsinitiatief in zijn eerste stadium, dus zonder vaste huisvesting of inhoudelijk uitlijning, over het algemeen een aantal eigenschappen toe te schrijven. Inherent tijdelijk, heeft het initiatief in vergelijking met het instituut minder last van een eigen traditie. Sheik: “It’s the mode of address that produces the public” (Simon Sheikh p.182). Weliswaar kent het vaak bepaalde verschijningsvormen en stereotypen – zoals een hoog Do-It-Yourself gehalte, eigenwijze geloof in zichzelf, de naamformule “eerste letter straat plus huisnummer” of een vast en vaak drinksterk publiek – maar en gros is zijn vorm in een constante beweging. (Bijna) Zonder subsidie en zonder verplichtingen, zonder beleidsplan en met evenveel wisselende mensen als veranderlijke ideeën, blijken zelfs de buitenmuren verplaatsbaar. Zijn karakter ondermijnt zichzelf constant, totdat het enthousiasme doodbloedt of het geld lonkt. Of allebei.

Als een initiatief ontstaat, blijkt er een leegte binnen een kunstenlandschap te hebben bestaan. Een fysieke en conceptuele ruimte, die een groep kunstenaars heeft aangetrokken om die voor zich op te eisen. In de politiek houdt het recht van initiatief het recht in om een wetsvoorstel te doen. In het kunstlandschap komt het initiatief een soortgelijk rol toe. Het initiatief heeft het recht om ruimte te claimen en vanuit zijn eigen wasemkring een richting te ontwikkelen en al doende koerswijzigingen aan te dragen bij het instituut. Via het gangbare discours of via acties, levert het een cruciale bijdrage aan het actualiseren en aarden van de kunsten, en bovendien ook van (museale) instituten.

Het blijft bijzonder, het initiatief. Iets geheimzinnigs, fascinerends, vrijs en blijs zit er aan dat mij blijft boeien, dat blijft bloeien. Tot nu toe kon ik het engagement in het kunstenaarsinitiatief niet laten: er zit iets in, er hangt een sfeer die ik bij het instituut mis. Misschien wel de onvoorwaardelijke overgave aan het bouwen, het scheppen? De tijd, het enthousiasme en idealisme van de vele vrijwilligers? De intellectuele hangplek roept. Laten wij maar de volgende 7 magere jaren overslaan en meteen doorgaan met de vette.

Simon Sheikh (2007) On Public. In: Paul O’Neill (ed.) Curating Subjects. Amsterdam: De Appel & Open Editions.